13,65

Misschien is een waarschuwing vooraf een goed idee. Voor je verder leest – dit is een “note to self” om me te herinneren aan hoe mijn lijf en leven “leven” voelt met ’n BMI van 13,65 (46,2 kg woog ik gisteren volgens de gegevens van de diëtist). Dit overzicht heeft voor mij een duidelijk doel: de Anorexia gaat mij misschien al bij een BMI van 14,0 vertellen dat de hieronder beschreven je-bent-doodziek-symptomen iets zijn dat we vooral moeten omarmen. Iets waar we een gevoel van “beloning” of “onoverwinnelijkheid” voor terug krijgen. Dan lees ik dit terug. Mogelijk lees jij dit bericht als mijn naaste – schrik niet teveel… ik ben écht in de beste handen nu, en mijn strijdlust is sterker dan ooit.

Aan dit epistel gaat bescheiden denkwerk vooraf. Ik twijfel over volgorde en soort schaal. Aangezien je cognitieve vermogens tijdelijk doch merkbaar worden aangetast als je dit stadium van ondervoeding en ondergewicht bereikt, is “simpel” denk ik beter dan “logisch”. Van top tot teen, dan maar. Te beginnen met het allerbovenste: het haar.

… nu je het in ieder geval nog hebt (op je hoofd). De laatste keer dat je bij de kapper was, 7 kilo geleden en toen al zorgwekkend dun, merkte die al op dat je haar anders voelde. Ze kent je al jaren. Gebruik je iets anders in je haar of ben je ziek geweest? vroeg ze nietsvermoedend. Oh, ze vermoedde trouwens wel wat, want bij het afscheid kreeg je zomaar een knuffel en “sterkte” gewenst. Je was allang zichtbaar superziek op dat moment en bent die dag letterlijk door de stad gestrompeld om nog naar de kapper te gaan. Maar je haar dus, het is dor en het valt uit.

Op je gezicht staat juist extra haar, in jouw geval een bijna onzichtbaar soort laagje pluis. Het zou best kunnen dat dat je naderende 40ste verjaardag is (je moeder plaagde jij immers ook weleens liefdevol met haar zachte pluisjeskin). Maar het is veel waarschijnlijker het gevolg van uithongering. Je had dit niet tot een week of wat geleden. Je bent geen 50+ en hebt geen hormonale ziekte. En hirsutisme is een bekend en ontsierend gevolg van anorexia. Dit is nog maar pluis en je hebt geluk met de blond-factor, maar dit is géén toeval.

Dan verder over je gezicht, dat is niet alleen mager en pafferig tegelijk, het is ook lijkbleek en vaal. Je ogen staan er raar in en er zitten dikke wallen onder door chronisch slaapgebrek, waarover straks meer. Als je lacht is er geen echte lach, maar meer een soort grimas waar je alle spiertjes en botjes van je gezicht kunt zien. “Ik heb een echte anorexia-kop gekregen”, appte je een tijdje terug naar je tante, omdat je schrok van je eigen selfie. Geef toe, daarnaast was er meteen ook een valse trots, alsof zo’n kop een soort trofee is voor niveaus van deze ziekte die je kunt behalen – met sondevoeding als één van de volgende “levels”. Daarover: er zitten twee pleisters op je gezicht, de één recht over je neus en de ander aan de zijkant . Die houden dat levensreddende sondebuisje door je neus een beetje in bedwang, zodat dat niet de hele tijd voor je lippen bungelt.

Dit zijn maar uiterlijkheden, en die zijn al erg genoeg om jezelf niet te herkennen in de spiegel. Wat veel erger is, is de enorme verwijdering die je voelt ten opzichte van jezelf. Dat zodra je gaat praten, je denkt “wie is dat, die deze dingen zegt, ik?” Dat je over bijna alles wat je gaat doen, lang moet nadenken. Daar lijnrecht tegenover een ultrakort lontje, waar vooral man en kinderen onder te lijden hadden, tot het punt toe dat het zelfs jouw man ontsnapte dat hij blij zou zijn als je weg zou zijn voor de opname. Nul bandbreedte. Dat dingen je ontschieten of juist extreme aandacht van je krijgen. Dat je als je zo’n ontiegelijke honger hebt, je con-ti-nu met eten bezig bent. Recepten zoekt (met zoveel mogelijk smaak en zo min mogelijk calorieën). Van lieverlee maar vrachten kauwgom en suikervrije rotzooi verorbert, en liters thee en koffie wil hebben, zo heet mogelijk (want je hebt ’t steeds zo koud). Dat het nu dus best ironisch is dat je naast de sondevoeding precies en alleen deze dingen mag nuttigen. Maar die geliefde warme drankjes met mate, omdat je hart en nieren de hoeveelheid vocht anders niet aankunnen… En dan dat overmatige kleding kopen, vooral warme truien. Je hebt niet nóg een trui nodig eigenlijk, maar hebt ’t gewoon zo steenkoud steeds. Dit soort kou (“innerlijke permafrost”, zoals je het maar bent gaan noemen) ís niet met kleding te verhelpen. Nog niet met de dikste Eskimo-trui.

Je betreurt het al je hele leven dat je redelijk “plat” aangelegd bent (“waarom zit wat er op mijn dijen zit geplakt niet in mijn borsten?”, dat soort damesblaadjesonvrede). Die bescheiden A-formaat voorkant heeft trouwens wel jarenlang je 3 jonge kinderen gevoed – in overvloed zelfs. Nadat je jongste ermee stopte, zag je met lede ogen aan hoe maat A het veel minder gangbare minimaatje AAA werd. Je bestelde lingerie-de-luxe uit Amerika, waar blijkbaar meer vrouwen dat probleem hebben. Die vormgevende onderkledij heb je al weken niet aan. Te wijd. Niks om in te doen. Op die plek zitten nu alleen botten. Elke rib is zichtbaar, net als je sleutelbeenderen, wervels en heupbotten. Rondingen had je toch al niet zo, je bescheiden triathleetbilpartij heeft nog precies 0,0% zitvlees over. Letterlijk vel over been. Dit maakt op dit moment alles bijzonder ongemakkelijk. Je stuitje voelt beurs. Nu kun je niet meer dan zitten of liggen, maar je bent je daarbij elke seconde pijnlijk bewust van de anatomie van je skelet, zelfs als je slaapt.

Dat slapen gaat je trouwens niet zo best af. Hier in de kliniek niet, maar eerder thuis ook al lange tijd niet. Elke nacht wakker om een uur of 4. Thuis streed je dan uren tegen de raarste gedachten om zo min mogelijk te eten de volgende dag, en alle mogelijke onvermijdelijke happen ergens te compenseren. Maar je lag in ieder geval nog naast één van je kindjes en ronkende man. Die heb je verruild voor je stalen vriend Flocare, het sondeapparaat dat je vriendelijk (maar redelijk luid) zoemend een slokje elixer voedt, een keer of 4 per minuut. Omdraaien is zo zwaar dat je daar eerst moed voor moet verzamelen, en het soms niet kan helpen dat je erbij moet zuchten. Oh, en je moet je bij het draaien niet verstrengelen in dat slangetje, of het slangetje pletten, anders gaat vriend Flo onuitstaanbaar hard piepen.

Tja. Zitten, half liggen in bed, en slapen – categorie kater-activiteiten – zijn dus ongemakkelijk door bottigheid en spierzwakte in je middenstuk. Zullen we het ‘ns over je echte kern hebben? Je motor, die meer en meer op een spaarstand is gaan draaien, omdat je weigerde om de tank genoeg te vullen? Dit afgelopen weekend mat de verpleging een rustpols van 34. Genoeg om extra controles te doen. Nu liep je vrij recent een marathon, en heb je ook de periode daarna veel aan duursport gedaan. Tot voor kort droeg dat sporthorloge nog, die ook je hartslag mat, en kon je zien dat je rustpols al die tijd redelijk laag was. Een sporthart, toch? Maar ’n rustpols van 34 is geen sporthart, dat is een hart dat zo lang mogelijk probeert te kloppen met zo min mogelijk energie. Dat gaat zwaarder als jij op je rug ligt of als je veel vocht in je lijf hebt en voelt alsof je spierpijn hebt in je hart. We doen even biologie basisschool nu: je hart ís een spier.

Och, die benen dan… tot slot. Je genen hebben bepaald dat je bovenbenen wat “steviger” zijn aangelegd dan de rest van je lijf. Je hebt gewoon meer dan gemiddelde spieraanleg daar, wat die marathon vast ten goede is gekomen. In de rest van je leven zijn ze ook wel handig. En nu? Twee spillebeentjes waar je amper op kunt staan. Gelukkig ben je niet topzwaar gebouwd! Ze doen pijn doen bij elke aanraking. Je verdraagt je 4-jarige bonkje niet op schoot. Zelfs zijn omhelzing op beenhoogte is onprettig. Maar je hebt wel ’n prachtige “thigh-gap” en geen spoortje cellulitis! Net als op de rest van je lijf zie je elke ader erover lopen. Nu heb je geen last van dijen die elkaar ietsjes raken, maar knokige knieën die onwennig met elkaar botsen. Wat heb je dat slinken voelen branden en prikken de laatste maanden. Dat werd alleen maar erger, en je voelt het nog steeds, ook nu je opgenomen bent en je nauwelijks verroert. Je bent dus al langere tijd in “katabole toestand” – je lijf eet haar eigen spieren op en hier had je dan misschien nog wat voorraad. Er gebeuren dan twee dingen: je hebt minder “vlees” (dus kussentjes), maar ook minder om mee te bewegen en dat op een goede manier te doen. Subtiel gaan zitten – not so much. Neerploffen en dan maar je handen onder de landplek manoeuvreren. Het gebrek aan kracht voor het alledaagse is natuurlijk nog veel erger. Lopen gaat al langer dan je wil toegeven met moeite. Fietsen ging nog ’t beste, als je eenmaal “aangezwengeld” was. In winkels slofte je, omdat een laars gewicht toevoegt aan wat je moet verplaatsen. Regelmatig zat je veel langer dan nodig gebukt bij een laag schap, niet alleen omdat omhoog komen een opdracht op zichzelf was, maar ook omdat even gehurkt zitten een welkome pauze van het lopen dan wel staan was.

Achteraf is het bijna onbegrijpelijk hoe lang ik nog “gefunctioneerd” heb, zeker die laatste weken. Op de dag van de opname vouwde ik alle was nog weg. De dag ervoor ben ik nog ’n schoenkadootje gaan halen bij de AH en vond ik het nodig om de koelkast leeg te koken, zodat de vriezer extra voorraad had voor man en kindjes in mijn afwezigheid. Ik kon in die weken alleen maar gaan en staan vanuit mijn ziekte – en dit is de prijs die mijn lijf daarvoor heeft betaald. Herinner me hieraan, elke dag dat ik zal worstelen met de happen van herstel.

4 gedachten over “13,65

Plaats een reactie