Hybris & Nemesis

Mijn fysieke dieptepunt kan ik met een aantal getallen en veel woorden beschrijven (mijn laagste gewicht en bmi liggen voor de hand, evenals het gevoel dat de dood in mijn lichaam rondliep). Een geestelijk dieptepunt laat zich wat minder makkelijk in die waarden beschrijven. Ook woorden zijn daar moeilijker voor te vinden, het heeft daarom even geduurd voor ik dit kon opschrijven. Voor het fysieke was dat wat makkelijker, van het gewicht weet ik namelijk zeker ik 1. nooit terug zal gaan naar dat punt (of in ieder geval niet door Anorexia) en 2. ik nooit dieper zal gaan dan dat punt (behalve als ik dood ben). Van dat geestelijke kan ik alleen maar hopen dat ik me niet nog weerlozer zal voelen. Het zal schelen dat ik na de opname eindelijk psychische begeleiding zal hebben, maar tot die tijd sta ik in mijn eentje met de draak te vechten. Deze week heb ik het erg zwaar gehad, en dan met name de dagen vóór de kerst – die ik gelukkig gedeeltelijk met gezin en zonder zoemende en piepende sonde mocht doorbrengen. Er zaten wel veel lessen in.

De eerste les gaat over overmoed (hybris). Sinds oudsher gaat hybris niet ongestraft (nemesis – wraak). Volgens ’n bekende Griekse mythe was Prometheus (zoon van een Titaan) van het overmoedige soort. Geheel tegen de zin van oppergod Zeus in stal hij het vuur van de goden, en schonk het aan de mensen om ze te helpen overleven. Hij werd daarvoor gestraft: de rest van zijn leven zou hij aan een berg vastgebonden moeten doorbrengen terwijl een enge vogel elke dag van zijn lever kwam pikken. Die lever groeide dan ’s nachts steeds weer aan. Een kwelling dus waarin alles wat je weer aan laat groeien, weg moet laten pikken. De parallel met mijn situatie is pijnlijk (en lachwekkend) duidelijk – de Grieken hadden goed begrepen dat overmoed iets is dat zich vanzelf laat wreken.

Vorige week begon ik me langzaamaan wat beter te voelen. Heerlijk, ik kan weer dingen doen zonder om te vallen! Ik ben er nog lang niet, maar het gevoel dat je herstelt geeft hoop en energie. Ik voelde me daarnaast ook moddervet. Olifantje in het bos. Dat is natuurlijk vrij belachelijk, objectief gezien – maar dat is precies hoe de ziekte werkt. Vandaar dat ik het monster op dieet heb gezet en het in ieder geval geen cijfers meer voed. Hierover later meer – om mezelf dus te sparen word ik wel gewogen, maar geeft de diëtist alleen maar aan of ik op schema lig. Afgelopen dinsdag (dus net voor de kerst) constateerde ze tot mijn verbazing dat mijn gewicht stil was blijven staan. Op zich kan dat gebeuren, maar we willen natuurlijk liever een stijgende lijn. Het gaat al langzaam genoeg, ik heb al veel te veel tijd en gezondheid verloren in de aanloop naar de opname, en oh ja: IK WIL MIJN EIGEN LEVEN TERUG. Naar ons huis. Naast mijn kindjes wakker worden. Mijn man liedjes horen zingen onder het stofzuigen. Weer werken en lachen met mijn collega’s.

Als het niet bijtrekt moet ik terug naar die enorme vracht van 3000 kcal per dag. Dat is een halve liter sonde per dag meer en berooft mij aan de andere kant van een halve liter “suikervrij drinken naar keuze”. Heel vervelend, mijn kopjes hete koffie en thee zijn me erg dierbaar op de lange dagen hier. Stilstand = achteruitgang. Een dikke klap voor mij dus. Ik kreeg wel ’n luid applaus van Anorexia. Terwijl ik weiger te buigen, heb ik die dag mijn hoofd toch flink laten hangen. Het voelt alsof ik nu toch ’n veldslag verloren heb. Niet omdat er zorg om het proces als geheel is (een plateau kan voorkomen), maar omdat er meteen die zieke blijheid bij komt kijken – die niet van mijzelf is, maar wel in mij is. Daarnaast weet ik best hoe dit komt.

Dat lees je goed, ik weet best hoe dit komt. Ik heb die eerste zonnestraaltjes energie namelijk vrolijk besteed aan “dingen doen”, en niet bewaard voor het herstel van mijn lijf. Niet om af te vallen hoor. Maar omdat het gewoon fijn is om je eigen was te doen, mee te draaien met de dagelijkse structuur hier, me nuttig te maken door vaatwassers uit te ruimen en wasmachinerubbers te doen van 3 jaar verkalkte zeepluis. Dat was ongelooflijk ranzig, en ik wist niet dat zeepluis in steenvorm bestond. Maar het allerfijnste: om naar buiten te gaan en te wandelen. Dat mag ik, 45 minuten per dag. Afgelopen week heb ik die 45 minuten genoten van het ochtendgloren op en om het terrein. Elke dag met wat meer energie en minder lood in de benen.
Ik voel bij al die dingen best mijn grenzen. Na een (toenemend) aantal meters voel ik toch weer stramheid in mijn benen. De tweede stapel borden die ik boven mijn hoofd ik een kast moet zetten, is belachelijk zwaar voor me. Laat staan dat ik mijn jongste bo(n)kje van 4 kan optillen. Wat ik toch elke keer probeer als ik ‘m weer zie. Aan het einde van de dag voel ik mijn knieën weer knikken bij het staan, en als ik echt moe ben ook weer dat zware gevoel rond mijn hart – hetzelfde gevoel dat maakte dat ik in de laatste weken voor de opname angst had om te slapen. Ik voel die grenzen niet alleen, ik verleg ze steeds, en dat creëert een glijdende schaal (en dus deze week een stilstaande weegschaal). Het is zaaks om een Energiewacht in het leven te roepen. Op ditzelfde gladde hellinkje ben ik immers in een paar maanden tijd deze kliniek in gegleden.

Maar hoe ga ik die bewaking regelen? Dit is waar de ziekte veel moeilijker voor mij te herkennen is dan in het verschil tussen gevoel en ratio (bijvoorbeeld dat olifantengevoel terwijl ik nog steeds zwaar ondergewicht heb, waarover Anouk Keizer van de Universiteit Utrecht trouwens een proefschrift schreef dat ik meer in detail ga lezen als die enorme brain fog wat opgetrokken is). Het is niet duidelijk ziekelijke bewegingsdrang (toch?) Ik denk even aan de documentaire van Louis Theroux, die hij briljant genoeg “Talking to anorexia” noemde, waarin een lotgenote vertelt over de 100 starjumps die ze maakt, en een ander die weigert om te gaan zitten omdat je staand meer verbrandt. Ik heb de arts hier verzekerd dat ik geen bewegingsdrang heb, want ik sport al eeuwen niet meer en ik zit ook niet wiebelen of oefeningen te doen.

Nee, de dingen die ik doe komen voort uit eigenschappen die bij mij horen, en waar ik zelfs trots op ben, zoals doorzettingsvermogen, ondernemendheid, hulpvaardigheid en autonomie. Deze lijken alleen zodanig verweven met de stoornis dat ik zelf niet goed kan zien wat op dit moment uit “wie” voortkomt in mijn handelen. Ruim ik die vaatwasser uit omdat ik een goede huisgenoot voor mijn afdeling wil zijn, of is het Anorexia die daar stiekem een manier vindt om een paar extra calorietjes te verbranden? Maak ik die wandeling om van de buitenlucht te genieten, of om dat tiendelitertje room te gedeeltelijk compenseren? Hoe moet ik dat onderscheid maken in de dingen die ik doe? Dat zal nog een hele klus zijn in het proces dat voor me ligt, maar voor zolang ik hier ben heb ik wel extra ogen die me in de gaten houden (héél irritant voor het monster trouwens). Zo wilde ik gisteren heel graag mijn eigen bed verschonen en bracht de dienstdoende verpleegster nieuwe lakens. Terwijl zij nog een extra sloop zocht en tussendoor werd opgepiept, had ik het bed al verschoond. Om vervolgens een streng standje te krijgen: “Zullen we afspreken dat wij jouw bed voortaan verschonen en dat jij je koest houdt om je energie in je herstel te steken?”

Hier ben ik gedoemd om af en toe te mislukken. Het proces is niet lineair en dat komt mede door misstappen. Daar heb ik dan wat strengheid van anderen en veel mildheid van mezelf nodig.

Post Scriptum

Prometheus werd van zijn eeuwige kwelling verlost door Herakles, een zoon van Zeus. Deze had ook last van Nemesis (wraak) in de vorm van een reeks van tien taakstraffen. Deze kreeg hij opgelegd voor het doden van zijn eigen kinderen. Dat hij Prometheus redde, was eigenlijk dubbel toeval: hij deed dit op de terugweg van zijn elfde taak, het roven van gouden appeltjes van de Hesperiden. Die elfde straf kreeg hij omdat hij – jawel – valsgespeeld had bij zijn tweede en vijfde taak. Hij had daar namelijk hulp bij gehad.

Ik heb dus een Herakles nodig, mensen. Maar vooralsnog lijk ik voor ’t psychische stukje mijn eigen Herakles te moeten zijn.

5 gedachten over “Hybris & Nemesis

  1. Je kunt het ook omdraaien: De vaatwasser niet uitruimen omdat het nu (en eigenlijk altijd) belangrijker is eerst goed voor jezelf te zorgen, zodat je daarna (pas wanneer het goed met jou gaat), ruimte hebt (als in energie die je kunt missen) om een goede huisgenoot voor anderen te zijn. Ik volg je op de voet hoor ; ) ❤

    Like

Plaats een reactie