Vrijdag 31 januari, 21:55. Even checken, heb ik niks aan wat ik niet óók straks in bed aan wil hebben? Want zodra de sonde weer aangesloten is, kan ik niks meer over mijn hoofd aan- of uittrekken. Niet fijn om nog een te dikke trui aan te hebben, of een keyfob om mijn nek te hebben als ik slaap. Rinkelkinkel… de verpleging is al naar me onderweg. De rammelende tred van mr. Flow over de gang van de kliniek zal mij denk ik nog lang achtervolgen in mijn dromen. Hij gaat al wat langer mee en niet alle wieltjes lopen nog soepel. Na vandaag mag hij rusten, tot de volgende patiënt(e) “van mijn soort” zich hier aandient. 58 dagen en nachten hebben we hier samen doorgebracht. De laatste tien ging ik steeds meer eten en had ik hem steeds minder nodig. De late dienst sluit me elke avond om 22:00 aan, en de nachtdienst koppelt me om 7:00 af. Vaak zijn dat bekende gezichten die ik ook overdag zie, maar niet altijd, dat zijn dan verplegers die overdag meestal op de andere afdeling werken. Niet zelden was ik al uren wakker, want wie alleen maar vloeibaar eet en daarnaast best van ’n kop koffie en thee houdt… die moet ’s nachts meerdere keren met rammelpaal en al naar de wc. Ik tref het vanavond: de dienstdoende verpleging is één van mijn favoriete mensen hier. Een stevige dame die mijn moeder had kunnen zijn, hier al jaren werkt, prachtig “plat” praat, geweldige humor heeft, niet van flauwekul houdt en mij af en toe flink de waarheid heeft gezegd. Toen ik hier begin december binnenkwam, was zij net gestopt met roken. We hebben toen een pact met elkaar gesloten. Ik laat me nooit meer te grazen nemen door Anorexia, en zij gaat nooit meer roken. We maken een paar foute grappen over paaldansen, ik maak ’n selfie van dit heugelijke moment, en dan mag mr. Flow nog één keer met mij de nacht in. Ik had er best ’n dagje opzitten, dus ik ben als een blok in slaap gevallen.
Zaterdag 1 februari, 7:00. Met luid gepiep maakt mr. Flow kenbaar dat zijn werk erop zit. Ik blijf nog lekker soezen, want op deze ene zaterdag kan dat. Voorheen moest ik zorgen dat ik de ochtendpauze goed benutte om te douchen, me aan te kleden en op doordeweekse dagen met de kinderen te facetimen voor die naar school vertrokken. Volgende week zaterdag ga ik vroeg op om mijn jarige Jetje thuis een ontbijtje op bed te geven. En de vele daarop volgende zaterdagen thuis zullen als vanouds zijn: dan word ik wakker gemaakt door mijn luide drietal, waarschijnlijk eerst door de oudste die graag de trap af bonkt, daarna door de jongste die mij een handje helpt met ogen open doen (letterlijk) en daarbij niet fluisterend vertelt wat hij allemaal wil doen. De lieve husband is dan al 2 uur op en de koffie is dan al lauw. Ochtendmens-genen zijn duidelijk dominant, alleen de middelste ligt het liefst tot laat in bed. Ik grijp mijn kans dus, en dommel door tot ik weet dat de ochtendploeg er is, dan heb ik bekenden aan mijn bed. Ze komen zelfs met zijn tweeën. Eerst neuspleister lostrekken, of ik dat zelf wil doen. Ik moet het merk maar navragen, want met deze kan je zeker 2 weken dagelijks douchen voor ze loslaten (ik had bijna om de week een nieuwe sondeslang nodig, maar de laatste ging 2 weken mee). Zo’n neuspleister reinigt trouwens ook voorgoed je neusporiën, echt een aanrader. Ik mag de sondeslang er ook zelf uittrekken als ik dat wil. Toch maar niet. Eruit is makkelijker dan erin, maar dat laatste zure stukje door je neus smaak-ruikt zo smerig dat ik het waarschijnlijk te snel zou doen of ‘m per ongeluk weer in zou slikken. Het is zo gepiept, ik ben verlost van de sonde en ga volledig op gewoon, heerlijk eten verder herstellen.
Later vandaag. Een verpleegster vraagt of ik erg moet wennen aan deze bevrijding. Ik ben er heel blij mee, maar heb er geen seconde aan hoeven wennen. Ik was nooit helemaal gewend aan de sonde. En dat is maar goed ook.

