Het heeft een eeuwigheid (ok, toch meer dan twee weken) geduurd voor ik dit bericht af had. Het was geen makkelijk stuk voor me om te schrijven, omdat ik mijn woorden goed moet kiezen waar het mijn werk/loopbaan betreft. Daarnaast koos ik na lang twijfelen toch maar voor de billen-bloot variant van dit verhaal. Voor wie geen zin of tijd heeft om de lap zeer persoonlijks te lezen en eigenlijk vooral wil weten hoe het me nu eetstoornistechnisch vergaat – het gaat best goed! De diëtist is tevreden. De therapeut is blij verrast met hoe ik in het proces sta, zo vers uit de kliniek. Ik bleek de hieronder beschreven tegenvaller goed te kunnen verstouwen, dat wil zeggen: zonder mijn oude vertrouwde hongermodus aan te zetten. Het eten smaakt en doet me goed, ik merk dat ik sterker word, al is het proces (zowel fysiek als mentaal) vrij grillig. Ik moet de grenzen goed bewaken en de energie goed verdelen, maar merk ook dat dat meteen vruchten afwerpt – elke slechte dag is nog altijd beter dan de vorige slechte dag, en er zitten steeds vaker goede dagen op een ondoorbroken rij in de week.
Eén van de eerste dingen die ik graag weer wilde oppakken na mijn opname, was mijn werk. Niet omdat ik daar wat betreft gewicht en herstel al echt aan toe was, maar omdat ik mijn normale leven zo miste, en dacht dat het een mooie extra motivatie kon zijn om in ieder geval weer met een paar afgebakende taken te beginnen. En ik hou zo van mijn werk en collega’s. O, en mijn tweede jaarcontract loopt over een maand af, wat mij toch wel wat benauwt. De bedrijfsarts vond het wel een goed idee om met 2 dagdelen te beginnen, en heeft mijn nieuwe teamleider ingeseind, die mij direct een uitnodiging voor een gesprek stuurde. De arts vond het wel wat aan de vroege kant en benadrukte dat ik mijn eigen herstel centraal moest houden. Ze had natuurlijk gelijk. Als mijn contract niet in april zou aflopen, zou een stuk minder haast met weer-aan-het-werk-gaan gehad hebben.
Ik was dus nog maar net een week thuis toen ik 11 februari met versgeknipte haren en frisse moed naar mijn werk ging voor een gesprek met mijn nieuwe teamleider. Heel vreemd en onwennig om op de campus rond te lopen, met al die jonge mensen en hun ambities – een sfeer waar ik meteen weer blij van werd. En wat een warm weerzien met mijn collega’s op de kamer en gang. Wonder boven wonder wist ik mijn in november veranderde wachtwoord van mijn werkplek nog, dus nadat mijn laptop 259203 updates had verwerkt, kon ik overal weer bij en was het even of ik nooit weg was geweest. Al snel was het tijd voor mijn afspraak met de nieuwe teamleider. En al na 2 minuten in haar kamer bleek dit helemaal geen inzetgesprek te zijn, maar een exitgesprek. Er is na april geen plek voor mij in het team, “want” dan zouden ze me een vast contract moeten geven. En dat “kan” helaas niet. Er gaat namelijk geen collega met vast contract weg per die datum.
Het zou niets met mijn functioneren te maken hebben. Dat klopt inderdaad. Volgens mij was de conclusie van het functioneringsgesprek van nog niet zo heel lang geleden dat ik mijn werk erg goed deed, en dat men “zo blij was met mij in het team”. Toen ik de baan pas net had en verrassend snel mijn draai vond, heb ik ook meteen laten weten dat mijn ambitie voor een langere termijn was, zodat ik echt mijn tanden in het voor mij toch nieuwe studiegebied en onderwijsniveau zou kunnen zetten. En nu krijg ik de boodschap dat – om een vaste aanstelling te kunnen krijgen – er een collega met vaste aanstelling zou moeten vertrekken. En dat dit (en niet dat ik ziek ben geweest, dit werd meerdere keren benadrukt) de reden is dat er geen plek is voor mij. Hoe het ook zij, het is een bittere pil. Als ik eerder had geweten dat er zo’n voorwaarde bestond voor het krijgen van dat vurig begeerde vaste contract, had ik al veel eerder naar een andere baan uitgekeken, want de kans een vaste collega zomaar zou weggaan is natuurlijk klein. Dat er daarnaast altijd wel werk is, staat er los van, daar heb je een “flexibele schil” voor. Blijkbaar moet die schil in 2020 minstens 20% zijn, ongeacht de gevolgen voor kwaliteit van onderwijs. Na mij werven ze dus weer een nieuwe wegwerpdocent, en die krijgt dan ook weer een flexcontract voor maximaal 2 jaar. Of je nu dit werk doet als gepromoveerde docent, met jaren ervaring en vrij bijzondere expertise, dat maakt allemaal niet uit – voor het hoogste management dat erover beslist ben ik gewoon een pionnetje dat zo voor ’n ander ingewisseld kan worden.
Ik hak al mijn hele loopbaan met dit bijltje – maar wennen doet het niet. Er is geen plaats voor mij. Ik hang in de periferie, hoe hard ik ook werk. Ik hoor niet bij de kern. Ik mag niet meedoen.
En de troostende woorden die ik dus ook weer te horen krijg: “het is niet persoonlijk” of “ach, niemand heeft tegenwoordig een vast contract, je bent niet de enige hoor!”. Dat laatste opvallend vaak uit de mond mensen die al jaren ergens vast in dienst zijn, en waarschijnlijk niet helemaal weten hoe het is om jaar in jaar uit je werk te doen op een stoel waar steeds de pootjes onder vandaan gezaagd worden. Hoe je dan maar weer moet vertrouwen dat je volgend jaar je dure vrije sector huurhuis nog steeds kunt betalen en de rest van de kosten die een gezin met drie kinderen met zich meebrengen. En dat het vooruitzicht is dat je wéér met een jaarcontract opgescheept wordt “met uitzicht op een vast dienstverband met mogelijkheid tot een verlenging”. En hoe je als flexwerknemer steeds hard wil draven en extra taken blijft doen om je kans maar te vergroten om niet tot de eeuwigheid een losse baan te hebben. Best ideaal vanuit de werkgever: een grote schil aan streberige flexwerkers die allemaal een tandje bij zetten om misschien toch een keer een vast dienstverband te kunnen krijgen.
Ik vind het moeilijk om dit niet persoonlijk te nemen. Ik ben maar immers één persoon, namelijk de persoon die dit treft, en ik hoor dit liedje hoor ik ondertussen al 14 jaar (12 jaar bij dezelfde universiteit, en nu dus hier opnieuw). Van die verschillende werksituaties ben ik de gemene deler, toch? Waarom hebben andere mensen wel vaste banen? Wat doen zij anders dan ik? Wat doe ik dan (dus) verkeerd? En waarom raakt het zo’n gevoelige snaar bij mij? Die laatste vraag is denk ik het belangrijkste in mijn huidige proces – waarom is de gedachte die meteen overheerst die van “ik mag weer niet meedoen”? Het buitengesloten voelen?
Die snaar is natuurlijk oud zeer, 30 jaar oud. Daar heeft mijn werkgever anno 2020 niks mee te maken. Ik ben me daar terdege van bewust – en hoe kwalijk ik het geneuzel om flexibele schillen ook vind, daar het aankomt op mensen die keihard werken voor goed onderwijs – de pijn zit hem in de rode draad van dat oude zeer en niet in deze gebeurtenis. Het is het soort zeer dat je krijgt van veel gepest worden als kind. Dat heelt wel hoor, maar op die plek is de huid toch altijd dun gebleven.
Het was meteen raak in groep 1 op de eerste schooldag, omdat ik vriendjes maakte met de jongen die voor mijn komst de pispaal was. Toen waren we samen de pispaal. Gedeelde smart enzo, we zouden ook gaan trouwen volgens hem, maar daar voelde ik dan weer minder voor. We hadden in die klas een Pestkoning – één klierkleuter met veel macht voor een vierjarige. Mijn vriendje en ik waren allebei ’n kop groter dan de rest, dus dat was in eerste instantie wat ons constant verteld werd. Dat we te groot waren. En stom, want we waren sloom maar ook slim. Later kwam er voor mij nog een boel bij, eigenlijk was niks goed aan mij: mijn haar leek op peen, ik had sproeten en droeg nooit de goede kleren. Oh, en ik was te goed op school, een boekenwurm en nerd – alleen populair om van te spieken.
Omdat ik zo groot was, was ik vast ook sterk, dus als ik huilend bij de juf kwam “moest ik me er niks van aantrekken” en “was ik nou een grote meid?”. Daarmee was de kous af – na groep 3 heb ik er denk ik ook geen woord meer over gerept en er ook niet meer om gehuild. Ook niet thuis. Ik hoopte door zo onaantastbaar te lijken als blijkbaar van mij verlangd werd, het constante getreiter ook onvoelbaar voor mezelf te maken. Op mijn achtste kreeg ik een ongeluk waar een wrede scheldnaam uit geslagen kon worden, die naam heeft de Pestkoning mij nog tot in mijn middelbare schooltijd nageroepen. In die tijd raakte ik ook al heel vroeg in de puberteit, kreeg ik het formaat en vormen van een tiener van 13 en niet van een meisje van 9. Laten we het erop houden dat ik héél blij was toen het einde van groep 8 in zicht kwam.
Ik mocht naar het gymnasium en hoopte het rotjoch daarmee voorgoed van me af te schudden, maar hij kwam tot mijn schrik met me mee. Gelukkig moest hij na het eerste jaar al van school. Iets met schorsing of blijven zitten, waarschijnlijk allebei. Maar daarmee hield het pesten niet op, hij woonde bij mij in de wijk en had zelfs zijn buurvriendjes (die mij niet kenden) tegen mij opgestookt. Ik durfde vaak niet over straat en was altijd op mijn hoede of hij bij één van de pleintjes rondhing met zijn club. Ik kreeg soms post, een anoniem briefje met een voor mij toch herkenbaar kinderlijke kliederhandschrift – dat ik net zo goed dood kon zijn, en later ook briefjes met de vraag waarom ik er zelf nog geen einde aan gemaakt had.
Het aandeel “pestverleden” bestaat uit talloze verhalen die ik zou kunnen oprakelen, helaas ook los van de Pestkoning. Maar ik zal niemand daar verder mee vervelen. Het is ook niet de bedoeling om medelijden op te wekken, voor mij is het veel belangrijker dat ik zie in welke mate de pestboodschappen de blik zijn gaan bepalen waarmee ik naar mezelf kijk, en hoe ik gebeurtenissen interpreteer die er feitelijk los van staan, zoals de huidige situatie op mijn werk. Wie gepest wordt, wordt buitengesloten, als “anders” en “niet goed” bestempeld.
Twee gedachten over mezelf lijken in ieder geval mede door het pesten tot stand te zijn gekomen: ik neem teveel ruimte in, en: ik hoor er niet bij. Het “ruimte innemen” is duidelijk iets waar anorexia zich mee kan voeden. Ook op de middelbare school ben ik door paar jaar stiekem honger te lijden een schim van mezelf geweest, ik kon immers niet besturen hoe lang ik was maar wel hoe breed ik was. Tussen mijn ranke ieniemienie vriendinnetjes van 1.50m die nog moesten beginnen met puberen voelde ik me een nogal een Pino. Ik was liever een lange soepstengel – dan kon ik me in ieder geval een beetje inklappen. In die zin is het voor mezelf goed te zien waarom “dun zijn” voor mij makkelijker is dan het hebben van de vorm die ik werkelijk van nature heb. Maar het bestrijkt natuurlijk meer dan dat, het innemen van ruimte hangt direct samen met het hebben van een plaats, of dat nu letterlijk een stoel in de bus is of een plek in een team, gezin of groep met vrienden.
Als er zich dan een situatie voordoet waarin ik de boodschap krijg dat er geen plaats voor me is, dan hoor ik al snel dat er geen plaats voor mij is.

