Vorig jaar rond deze tijd zat ik twee weken in Leiden om les te geven aan een summerschool die daar jaarlijks (maar dit jaar niet) gegeven wordt. Een geweldige kans om me even volledig en ongestoord onder te kunnen dompelen in taalkunde. Het was die week dat het ruim boven de 40 graden werd, en je de hitte boven het asfalt kon zien kronkelen. Ik verbleef in een prachtige hoge kamer zonder airco met de hele dag zon op mijn ramen. Ook mijn vaste leslokaal was een broeikas – lekker op de bovenste verdieping onder een plat dak van een betonnen jaren ’70 gebouw. Terwijl heel Nederland de genadeloos zinderende zon zwetend onderging, liep ik fluitend rond, en grapte dat het bij een hittegolf een enorm voordeel was om een koukleum te zijn. Ik had het niet warm en voelde me springlevend. “You’re like a sunflower rooted in the shade, that has grown so thin and tall because it has to reach too far for the sun”, zei mijn tijdelijke collega en huisgenoot in Leiden, een Franse professor met wie ik elke ochtend een kop koffie dronk. Hij zei dat bezorgd, maar ik vatte ’t op als compliment.
Echt grappig was mijn hittebestendigheid natuurlijk niet. En dat zijn karakterisering van mij als dunne zonnebloem mij zo streelde, was ziekelijk misplaatst. Ik was die zomer al hard onderweg naar ernstig ondergewicht, en mijn kouwelijkheid speelde mij al parten als de temperatuur beneden de 18 graden kwam – ik droeg handschoenen als de rest van Nederland zonder jas op de fiets zat. In september begon ik toch nog (over)moedig aan het vervolg op de zwemcursus die ik net voor de zomervakantie had afgerond (borstcrawltechniek, ik had toen nog illusies over triathlontraining), om elke les bevend en blauw aangelopen het bad uit te komen. Ik klaagde dan dat er te weinig achter elkaar door gezwommen werd. Als ik zelf trainde voelde immers geen kou, want dan zwom ik de banen snel en stug achter elkaar door. Uiteraard lag die verkleumdheid niet aan de cursus, maar aan de totale afwezigheid van enige vorm van isolatie op mijn lijf. Begin oktober werd ik zo naar van de kou bij die cursus, dat ik me er ziek van voelde, en moest toegeven dat het zwemmen eigenlijk niet meer ging. Niet veel later vond ik het ook beter om mijn wekelijkse rondje naar Smilde op de racefiets te laten varen, en halverwege die maand viel ik letterlijk om van de honger toen ik een trap op liep op mijn werk. The rest is history.
Het is ondertussen weer zomer en we hadden het geluk met een zonnig en warm voorjaar. Dat verlichtte de bedrukte sfeer van de eerste Corona-maanden toch wel iets. De kinderen hebben geloof ik nog nooit zoveel natuur gezien en buitengespeeld als in die maanden. En voor mij superfijn als het lekker warm is. Maar ook een beetje bedriegelijk. Meer warmte van buiten = minder van de eigen energie die opgaat aan mijn eigen warmtehuishouding = meer over voor leuke dingen, zoals moeiteloos een trap op gaan, brood bakken, yoga, en lekker buiten fietsen en skaten met de kinderen. Allemaal dingen die ik langzaamaan ben gaan doen sinds ik weer thuis ben en die me het gevoel geven dat ik er weer ben.
Nu was het de afgelopen weken opeens een stuk koeler, en merkte ik meteen dat mijn eigen verwarming me nog best wat energie kost. Dit geeft bijzonder onlogische gedachtepatronen vanuit de eetstoornis, zoals “maar ik ben al veel dikker dan ik in tijden geweest ben, dus het kan eigenlijk niet kloppen dat ik het nu nog zo koud heb” of “ik moet gewoon wat meer bewegen, dan krijg ik het wel warm” of “als het straks weer warmer is kan ik dus makkelijk minder eten“. En de klapper “als het aankomen te hard gaat kan ik altijd in winter nog zorgen dat ik het steeds koud heb door me te koud te kleden of koude douches nemen“. Yup. Anorexia is a sick bitch. Ik heb op koelere dagen continu honger en vind het niet makkelijk om daaraan toe te geven. “Extreme hunger” hoort bij de herstelperiode en is een teken dat ik nog niet op het gewicht ben dat mijn lijf wil hebben (het zogenaamde “setpoint gewicht”). Mijn bmi is nog onder de 18 als ik uitga van de weegschaal thuis, waarover de eetstoornis mij probeert wijs te maken dat die vast niet klopt en minder weegt dan die bij de diëtist waar ik in verband met de corona-maatregelen waarschijnlijk dit jaar niet meer op kom te staan.
Het gaat wel steeds beter, zeker in vergelijking met de eerste maanden dat ik thuis was. Niet alleen qua eten maar ook qua wat ik er allemaal bij voel en denk. Juist door die zomerse dagen – waarop ik me zo goed voel – weet ik dat elke hap de strijd waard is. Wat ik nu voor mijn idee “extra” eet, zorgt voor de nodige isolatie, zodat ik straks op een herfstdag kan fietsen zonder handschoenen. En heel misschien kan ik eind dit jaar nog zwemmen zonder blauw te worden en een klein ritje maken op mijn racefiets. Deze zomer ga ik dus volop genieten van die zon, maar ik wil haar niet meer nodig hebben om warm te blijven – laat ik het nou anders aanpakken, en de warmere dagen als supergunstige omstandigheden zien om te groeien.


Wat goed dat je al wel onderscheid kunt maken tussen ‘dit denkt de anorexia’ en ‘jezelf’!
LikeLike